20.10.2009

BOEFJES - Vanaf heden schrijft Anneke maandelijks een column voor de VERAkrant; Hut Spot. De eerste vier afleveringen vormen een miniserie getiteld Glorious Bastards. Over moordende hoofdpersonages in film, literatuur, muziek en beeldende kunst waar behalve een afschrikwekkende werking ook een vreemde aantrekkingskracht vanuit gaat. In de eerste aflevering aandacht voor Bonnie & Clyde.

* * *

GLORIOUS BASTARDS I: ME BONNIE, YOU CLYDE

Mijn jeudhelden waren Robin Hood en Mattis, de vader van Ronja de Roversdochter. Later werd ik verliefd op Sailor Ripley, Wild at Heart. Maar als ik iemand een T-shirt van Che Guevara zie dragen, kijk ik de andere kant op. Vind ik dom. Che Guevara is een moordenaar. Sailor Ripley ook. Sailor Ripley draagt een slangenleren jasje dat, in zijn woorden, symbool staat voor zijn individualiteit en zijn persoonlijke vrijheid. Da's een goeie line, maar het pleit hem niet vrij. Toch heb ik eindeloos veel meer sympathie voor hem dan voor Che. Waarom? Omdat-ie niet echt bestaan heeft soms? Te simpel.

Toch zit de vraag me dwars. Daarom heb ik me ten doel gesteld een miniserie te schrijven over moordenaars die wereldwijd tot de verbeelding hebben gesproken. Te beginnen met Bonnie & Clyde, de glorious bastards die zelfs fans hebben in de film over hun leven.

Om eerlijk te wezen heb ik de klassieker van Arthur Penn (1967) pas net gezien. Bijna net zo kapot van als van Wild at Heart (David Lynch, 1990) en Natural Born Killers (Oliver Stone, 1994), twee latere varianten op het verhaal van Bonnie Parker en Clyde Barrow, de schrik van elke bankbediende in Texas en Louisiana in de vroege jaren 1930. Een waargebeurd verhaal, dat regisseur Penn vrij feitelijk navertelt. Allemaal na te lezen op Wikipedia. Daar vind je zelfs een beverig zwartwitfilmpje van de met kogels doorzeefde vluchtauto waarin ze aan hun eind kwamen. Zakelijk commentaar van de verslaggever: Any one of these bullets would have been fatal to both, but after having killed fourteen people, most of whom were officers af the Law, and having come safely through so many gunbattles, it did not seem advisable to fire just one bullet. In het donkere interieur van de wagen, twee levenloze lichamen. Medeleven: below zero.

Dat probleem is een stuk minder aanwezig als Faye Dunaway en Warren Beatty van het scherm af spatten. Jonge, energieke mensen in crisistijd. Ze hebben geen werk, ze hebben honger en ze vervelen zich. Niets ligt meer voor de hand dan dat ze gaan halen waar het ze aan ontbreekt: geld, en een flinke portie avontuur. Het lijkt logisch, en onschuldig bovendien. Kattekwaad. Uitermate tof van Bonnie & Clyde is ook dat ze geen sloebers beroven, alleen jongens die best een paar pegels kunnen missen. Net als Robin Hood. Precies daar zit hem het verraderlijke. De sympathie die je in de eerste scenes voor Mr. en Mrs. Bad opvat brengt je in een lastig pakket naarmate het verhaal vordert en het bloed aldoor rijkelijker begint te vloeien. Vlekkeloze helden zijn saai, maar zo fout hoefden ze nou ook weer niet. Dus wat nu, de film uitzetten omdat je het er niet mee eens bent dat de camera aan de verkeerde kant staat? Nee, natuurlijk niet. Je wilt weten hoe het afloopt. O, wat slim. Een Stockholmsyndroompje.

Nog ongemakkelijker wordt het wanneer je in scene 1 partij gekozen hebt voor Mickey, de Clyde van Oliver Stone. Vond je het nog min of meer terecht dat hij de incestueuze pa van zijn liefje Mallory in het aquarium verzoop, als hij tijdens een TV-interview verklaart dat moordenaars in feite hoger op de evolutionaire ladder staan dan mensen die niet in contact staan met hun donkere kant krijg je het flink benauwd. Wat is dat voor filosofie, die dierlijke impulsen predikt boven beschaafde oplossingen? Maar Stone maakt het nog lastiger. De rechtspraak, het gevangeniswezen, de burgerij en de media, bij hem zijn ze allemaal even vals, corrupt en bloeddorstig. In zo'n vijandige en smerige wereld wil je nergens bij horen. Helemaal nergens? Nou ja, bij je geliefde. En laten Mickey en Mallory in dit verhaal nou net de enige zijn die hartstochtelijk verliefd op elkaar zijn. Ze zeggen het zelf: Only love kills the demon.

Liefde als oplossing voor alle ellende, da's een verhaal waar iedereen wel in wil geloven, van de slager tot en met de buurvrouw die boeketromannetjes verslindt. Waarom liep het dan toch slecht af met Bonnie & Clyde? Dat vond David Lynch ook oneerlijk. In Wild at Heart beantwoordt hij de vraag met een even kitscherig als briljant happy end.

Sailor Ripley, die zojuist een gevangenisstraf heeft uitgezeten voor een drievoudige moord, keert terug naar zijn geliefde Lula. Dan krijgt hij voor het eerst zijn zoon te zien, die ter wereld is gekomen terwijl hij nog strepen in de muur zat te kerven. De onschuld van het joch doet zo'n pijn aan zijn ogen dat hij er bijna voor wegrent, terug de grote boze criminele wereld in. Maar dan, en nu komt her, komt er redding van bovenaf. Lynch stuurt hem een Goede Fee, die hem vertelt dat hij zijn hart moet volgen. En dus rent hij terug naar zijn liefje. In vliegende vaart. En dwars over de daken van de auto's van de file waar zij in is komen te staan. Om met een belachelijke gebroken opplakneus Love me tender voor haar te zingen, het liedje dat hij alleen zou zingen als hij het meisje wilde trouwen. Dat je niet zeker weet of hij de vorige scene wel overleefd heeft, doet er niet toe. Het kan niet altijd zonder toverstokjes. Gelukkig dat er regisseurs zijn.

VERAKRANT #18




   SLUITEN >>